Wij gebruiken cookies
Dino
leesvoer

Papieren veldslagen

Dino Buzzati in de Giro van 1949

Het wielrennen en het woord, ze hadden altijd al een goed huwelijk. Al zo lang de wielen draaien, zijn verslaggevers met pen en opschrijfboekje in de aanslag in hun spoor gevolgd. Sterker, soms was er eerst de krant, dan pas de koers. Tour, Giro, Ronde van Vlaanderen, allemaal werden ze bedacht door journalisten die de naambekendheid van hun blad wilden verhogen. De heroïek van de fiets leent zich dan ook uitstekend tot epiek op het papier van dag- en weekbladen. Meer dan eens leverde dat pareltjes op, zoals in 1949 toen de romanschrijver Dino Buzzati drie weken lang verslag uitbracht over de Giro. Met de blik op Italië, De Ilias en vooral – altijd – Gino Bartali en Fausto Coppi.

Tekst: Lennert De Vroey

44 jaar bij dezelfde krant, er zullen niet veel schrijvers zijn die het Dino Buzzati nadoen. Al tijdens zijn rechtenstudies, in 1928, begon hij te schrijven voor de Milanese krant Corriere della Sera en hij zou er niet mee ophouden tot aan zijn dood in 1972. Naast zijn journalistiek werk waagde hij zich ook al gauw aan verhalen en romans. Zo verwierf Buzzati een naam die tot vandaag blijft klinken.

In mei 1949, bij de start van de 32ste Ronde van Italië, heeft Buzzati al vijf succesvolle boeken op zijn palmares. Wanneer de Corriere hem meestuurt in het spoor van de Giro, van Palermo tot Milaan, is dat als een bekende auteur. Het hoeft dus niet echt te verwonderen dat Buzzati zijn verslagen van de koers in geheel eigen stijl opvat als hoofdstukjes van een groot verhaal. De personages zijn de renners, het verloop is dag na dag te lezen in de krant. De stukken blijken zo’n keurig geheel te vormen, dat ze uiteindelijk ook in boekvorm worden uitgebracht en in het Nederlands vertaald.

Wat volgt is een kroniek van zijn kroniek, in zeven delen.

Dino2

Palermo, 20 mei

Dino Buzzati
Zal deze enorme onderneming niet meer worden dan een duel tussen de twee grootste en spreekwoordelijke favorieten? Of zal uit de schare van cadetten plotseling een nieuwe naam naar voren komen die door de hele wereld genoemd zal worden? De oude Pavesi, de ontdekker van kampioenen, de wichelaar van de toekomstige roem, de nestor van de Giro’s, vertrekt zijn goedmoedige, mefistofelische kop enigszins in een diplomatieke grijns. Heeft hij tussen de vele nog onbekende jonge renners misschien iemand ontdekt die door het lot is aangewezen? Zijn we hier in gezelschap van degene die de sterren van Bartali en Coppi zal doen verbleken? Maar de oude Pavesi glimlacht zonder ja of nee te zeggen. “We zullen zien,” antwoordt hij, “we zullen het wel zien morgen.” De inleiding is afgelopen. De eerste bladzijde van de roman wordt opgeslagen.

Nog voor er ook maar 1 van de 4087 kilometer tussen Palermo en Milaan gereden is, heeft Buzzati al vier stukken voor de krant geschreven. Daarin doet hij verslag van de stoutste dromen van een wielerknecht; van zijn eigen reis tussen de renners aan boord van de Saturnia die van Genua naar Sicilië vaart; van de kreten van het volk wanneer een pelotonnetje bij Napels met de fiets aan land gaat om wat los te rijden; van hoe de twee mannen van wie de naam het luidst geroepen wordt zich niet vertonen; van het gespeculeer over hun kansen en de mogelijkheid van een derde die zich mengt.

De hoofdrolspelers heten Gino Bartali en Fausto Coppi. Bartali is 34 en de ster van het Italiaanse wielrennen. Althans op basis van zijn erelijst: daarop staan in mei 1949 drie Giro’s (1936, 1937, 1946) en twee Tours (1938, 1948). Zonder het uitbreken van Wereldoorlog II waren het er gegarandeerd nog veel meer geweest.

Maar Bartali heeft concurrentie. In 1940 al heeft Coppi, als ploegmaat van de kampioen, op zijn 20ste onverwacht de Giro gewonnen. Het was de aanzet voor een fel gecultiveerde rivaliteit die de Italiaanse natie in twee kampen zou verdelen: bartaliani versus coppiani. En na vijf oorlogsjaren zonder koers gaat die strijd in 1946 onverminderd verder. Bartali wint nipt de eerste confrontatie en pakt het roze met een krappe 47 seconden voorsprong; in 1947 draait Coppi de rollen om en laat hij Bartali 1 minuut en 43 seconden achter zich. In 1948 fietst Lorenzo Magni zoveel voorsprong bij elkaar dat de twee groten moeten achtervolgen. Coppi nadert gestaag, maar is verongelijkt wanneer Magni een te lichte straf krijgt van de wedstrijdjury voor niet toegelaten hulp bergop. Coppi’s team Bianchi verlaat collectief de koers. Bartali rijdt uit als 8ste, maar wint die zomer wel de Tour.

Dat is de geschiedenis die in 1949 de verhoudingen bepaalt. De man waarbij Buzzati in het fragment hierboven met zijn vraag te rade gaat – ‘de nestor van de Giro’s’ – is Eberardo Pavesi, zelf twee keer tweede in de Giro en ploegleider van Bartali bij Legnano. Buzzati houdt ervan de kaart van de onwetendheid te trekken: iedere deskundigheid inzake wielrennen situeert hij graag buiten zichzelf, bij ploegleiders en journalisten die de Giro al jaren volgen. Zijn derde stuk voor de Corriere opent met de bekentenis dat hij nog nooit een wielerwedstrijd in het echt heeft gezien. Dat is niet ondenkbaar; het lijkt vooral een goed gekozen uitgangspunt, dat hij handig in de verf zet. Het is een alibi om drie weken lang te kunnen kijken met de verwondering van de buitenstaander, om te mogen denken met liefhebberige onvooringenomenheid. Hij zal hardop de vragen mogen stellen waarop de expert al lang het antwoord kent – het ‘waarom rijdt niemand weg?’ van de toevallige passant als in de huiskamer de koers op staat. Alleen is er van die televisie in 1949 nog bijlange na geen sprake is. De stukken in de krant zijn niet alleen documentatie, opinie en analyse, maar voor velen ook de primaire bron. Het beeld van de koers, de renners en de landschappen wordt op papier geschept. De pen van Buzzati leidt zijn lezers er elegant doorheen.

Coppi Bartali 1940

Messina, 22 mei

Dino Buzzati
Een stokoude, jichtige olijfboom, helemaal verwrongen, tegen een jongere soortgenoot: “Vanitas vanitatum, zeg je? Jij beweert dat die lui van de Giro gek zijn om zich zo uit te sloven voor niets, om te koersen als duivels zonder de minste reden? En de anderen dan? Zijn die niet nog erger, die anderen die zeggen dat ze hard werken voor serieuze zaken? Dan zijn deze beter, geloof me, ze zijn tenminste zo moedig dat ze hun medemensen geen ingewikkelde paradijzen beloven. Ze rijden voor niets, dat is waar. Ze bouwen niets op. Maar hoe verklaar je dat de mensen, ook de bewoners van deze streek die zo zwaarmoedig van aard zijn, helemaal opleven als ze hen zien?”

Twee dagen lang trekt de Giro door Sicilië. Van Palermo aan de westkust gaat het dwars door het binnenland naar Catania in het oosten. Thuisrijder Mario Fazio schrijft zijn eigen sprookje en valt op de wielerbaan met de eerste roze trui zijn moeder in de armen. Een dag later rijdt het peloton richting Messina. Buzzati observeert daarbij niet alleen zelf vanop de nodige afstand: hij geeft uiteenlopende personages als een kind, een jonge vrouw, een Madonna-van-de-haven en zelfs de Etna en olijfbomen een stem. Een ziek meisje wil koste wat het kost de bontgekleurde renners zien voorbijrijden. Een ander leest aan de uitrusting van wie op kop ligt tekens af in verband met een onzekere liefde. De Madonna is vervuld van liefde bij de aanblik van ‘zoveel schepselen om lief te hebben’.

Als uit Buzzati’s schrijven iets duidelijk wordt, dan zeker dat de karavaan op een waanzinnige belangstelling kan rekenen. Waar de renners ook passeren, in ieder dorpje staan de mensen rijen dik. En ook de fanatieke wielergek ontbreekt niet: op Sicilië heeft Buzzati glimpen opgevangen van een zekere Vito Ceo, een ‘oude man’ van 57 die naar verluidt het hele parcours van de Giro in het spoor van de renners wil volgen – alleen en nauwelijks toegerust, maar vastberaden. In de ruigte van Calabrië raakt men het spoor van Ceo bijster, en ook Buzzati keert in de weken die volgen niet meer op de lotgevallen van de ‘gekke opa’ terug. Of hij Milaan uiteindelijk bereikt heeft, daar kan zelfs het internet vandaag geen uitsluitsel over bieden. Het komt het verhaal eigenlijk enkel maar ten goede.

En zoals zovelen naar Ceo kijken, de waarom-vraag op de lippen, ziet de jongste van de twee olijfbomen het hele Giro-peloton aan, meewarig schuddend bij de zo absurde handelswijze van de menselijke soort. Waarop zijn buur en soortgenoot met veel liefde in de verdediging gaat. Dat het net de oude boom is die de jongere van het goede van het wielrennen wil overtuigen, is overigens geen toeval. Hij heeft te vaak de gevaren van het nuttige gezien; de destructieve kracht van al te veel ambitie, de risico’s van beloofde paradijzen en van zogenaamd serieuze zaken.

Rome, 27 mei

Dino Buzzati
Was er dan echt niemand meer in dat reusachtige witte litteken op de valleiwand, dat fel schitterde in de zon? Ja, toch wel, uiteengevallen in onherkenbare deeltjes, beensplinters, stof, of nog intact maar begraven onder de vormeloze stenen. Een oud mannetje misschien, of een vrouw, of een jonge man die zijn plekje per se niet had willen verlaten toen met zwaar, modern geschut begonnen werd aan de meest pedante en de meest totale vernietiging die men ooit ter wereld heeft beleefd, zo heftig dat er zelfs geen stukje muur van twee meter hoog meer overeind bleef, dat er ook voor een niet zo grote soldaat geen enkele mogelijkheid meer was om zich te verschansen, alles was met de grond gelijk gemaakt, zoals in het begin van de wereld; nog grondiger zelfs, want in het begin was het hier waarschijnlijk begroeid met bomen en struiken. “De Giro?” antwoordde laatstgenoemde. “Maar wij hier in het oude Cassino zijn niet voorbereid, en we hebben niets om de renners op een behoorlijke manier te ontvangen. Heb geduld met ons, we hebben geen wegen meer waarover ze kunnen rijden, geen ogen om ze te zien, geen stemmen om hoera te roepen, en zelfs geen handen om te applaudisseren.”
Monte Cassino Ruiner

Mario Ricci wint de sprint van een kopgroep op de wielerbaan in Rome, de Siciliaanse Belg Pino Cerami finisht als zevende en Giordano Cottur mag zijn vijfde roze trui ophalen. Maar Dino Buzzati heeft na de zesde etappe vooral aandacht voor de doortocht in Cassino. Zijn beschrijving van de spookstad is een van de meest beklijvende passages in zijn Giro-kroniek.

Het oude centrum van het stadje, met wortels tot in de Romeinse tijd, is in 1944 bij de slag om Monte Cassino onherkenbaar verwoest. Terwijl de renners passeren, laat Buzzati enkele gesneuvelden herinneringen ophalen aan vroeger en commentaar leveren op de smakeloze nieuwbouwwoningen. De doden zijn argwanend bij zoveel lawaai, de levenden stellen hen gerust: ‘Het is de Giro, en die doet niemand kwaad.’ Het kleurrijke leven komt een groet brengen aan wat er niet meer is.

Wielrennen als collectieve herinnering. De passage in Cassino doet denken aan initiatieven als de Great War Remembrance Race, aan de wegen die een wedstrijd als Gent-Wevelgem opzoekt of – in de context van de Giro – aan de 21ste eeuwse aankomsten in L’Aquila. Een jaar na de zware aardbeving van 2009 won Evgeni Petrov de etappe met aankomst in de schaduw van de fel verwoeste stad. Een nieuwe aankomst in de meest recente Giro – een prooi voor Pello Bilbao – herinnerde ons er nog eens aan dat de heropbouw tien jaar later verre van voltooid is.

Echo’s van de oorlog keren, naast de voortdurende beeldspraak, nog eens concreet terug in Buzzati’s verslag van de rit naar Udine, zij het dan in een geheel andere vorm. De koersontwikkelingen van de dag – Leoni pakt zijn tweede van drie ritzeges en de roze trui – moeten er goeddeels wijken voor een lange uitwijding over de sfeer bij de passage in Triëst. Met veel vaderlandsliefde heeft Buzzati het over de Italiaanse vlaggen, het juichen en de tranen van het volk in de havenstad, die in het naoorlogs akkoord van 1947 tot onafhankelijke vrijstaat uitgeroepen werd; tegen de zin van haar inwoners, zoals Buzzati duidelijk wil maken. Een stad die als één man ‘Leve Bartali, leve Coppi!’ uitroept, en daarmee ‘iets anders wil zeggen’. (En in 1954 overigens ook gewoon weer bij Italië ging horen.)

Over Adolfo Leoni trouwens toch nog even dit. Hij won in zijn carrière 17 ritten in de Giro, maar speelde in het klassement nooit een rol van betekenis. Tenzij dan in 1949. In die zin is het dubbel zonde dat hij in de tijdrit op de voorlaatste dag nog meer dan 12 minuten prijs zou moeten geven op Giordano Cottur, allemaal omwille van… een steenpuist. Of hoe ondraaglijk banaal een nederlaag kan zijn. Want zo mag in extremis nog Cottur, en niet Leoni, in Milaan mee op het podium.

Maar laten we het nu opnieuw over de Grote Twee hebben.

Bolzano, 3 juni

Dino Buzzati
Huil dus maar niet om de verslagen kampioen, dat is voorbarig. Beklaag hem niet, maak geen vaag soort held van hem; stuur hem geen troostbrieven. Die heeft hij niet nodig. En als een van u gebukt gaat onder de vernederingen van de ouderdom en denkt zich te kunnen troosten met het idee in Bartali een lotgenoot te hebben gevonden, dan moet u dat maar weer vergeten. De heer Gino Bartali is niet oud, is niet ontmoedigd en evenmin verdrietig. En hij is zo zelfverzekerd dat hij zich niet wil verontschuldigen. Vanmorgen vroeg iemand hem: “Heeft u gisteren twee of drie keer lekgereden?” En hij antwoordde: “Lekgereden? Wij rijden nooit lek.”

237 kilometer, stormachtig weer en passages over de Passo Rolle, de Passo Pordoi, de Passo di Campolongo en de Passo Gardena: de elfde rit voert dwars door de Dolomieten van Bassano naar Bolzano en heeft alles om spektakel op te leveren. Eindelijk worden die verwachtingen ook ingelost. De verhoopte grote strijd komt er, en het zijn Gino Bartali en Fausto Coppi zelf die de hoofdrollen vertolken.

Op de eerste col voert Bartali de forcing; op de top neemt hij de bergprijs en 1 minuut bonificatie. Maar nog voor de voet van de Pordoi, in de vallei, keert zijn jongere rivaal de rollen helemaal om: Bartali is in de weer met een banaan, Coppi plaatst een demarrage en valt niet meer terug. Op de Pordoi, de Campolongo en de Gardena diept hij zijn voorsprong stelselmatig uit, tot 7 minuten op de wielerbaan van Bolzano. Bartali is verslagen – of toch niet?

Buzzati laat het nog maar even in het midden. Als titel zet hij daags nadien ‘De rol van verslagene is niets voor hem’ boven zijn stuk, wat weinig zegt over het al dan niet verslagen zijn als dusdanig. Met behulp van een soort lang volgehouden praeteritio (‘hierover zeg ik niets’ en het aldus toch zeggen, de favoriete truc van Cicero, maar net zo goed van Obama en Trump) gaat hij vijf alinea’s door op het idee van Bartali als een geplaagde, verslagen kampioen. Knorrig, slapeloos en rokend laat hij hem door zijn hotelkamer ijsberen. Daarna brengt hij geleidelijk informatie binnen die op verzachtende omstandigheden wijst: Bartali zou lekgereden zijn; hij twijfelde te lang over zijn materiaal; hij vergat te eten. En toch: Gino Bartali is er de man niet naar om zulke dingen als excuses in te roepen. Daarvan mag de hilarische repliek over het lekrijden getuigen.

Door Buzzati echt gehoord, aangedikt of verzonnen? Het lijkt niet eens zo van belang. Het ‘fantastic journalism’ waarmee zijn boeken al eens worden aangeduid, is bij momenten misschien ook wel op zijn werk als journalist van toepassing – hij schreef in de krant ook stukken over onder andere ufo’s, telepathie met aliens en duiveluitdrijvingen. Het beeld dat hij schetst, is daarom niet per definitie minder accuraat.

De focus op – alweer – Bartali wijst overigens niet zozeer op onze eigen voorliefde, als wel op die van de schrijver zelf. Als literair personage is de overwonnen held immers verreweg het interessantst. Dat weet Buzzati als geen ander.

Gino Bartali 1945

Cuneo, 9 juni

Dino Buzzati
Morgen, op het zwaarste parcours van de Giro, zal het hoger beroep in de zaak Bartali worden behandeld. Hoewel het misschien vreemd lijkt heeft de bewondering voor de campionissimo deze week, na zijn nederlaag in de Dolomieten, een enorme impuls gekregen. De vergelijking met een proces is goed getroffen. Het is de veroordeling en niet de vrijspraak waardoor de populariteit van de beklaagde toeneemt. De overwonnene is een veel pathetischer figuur dan de overwinnaar. En ingeval Bartali de verloren scepter herovert zal een uitbarsting van enthousiasme zoals we nog nooit hebben beleefd morgenavond het Schiereiland op zijn grondvesten doen schudden. Maar het is de laatste instantie. Hoewel deze man uitzonderlijke energiereserves heeft en zich niet door tegenvallers uit het veld laat slaan, denkt men in het algemeen dat morgen zijn laatste kans is. Miljoenen Italianen blijven met roerende hardnekkigheid geloven dat hij onoverwinnelijk is. Na de Dolomieten hebben die mensen gezegd: “Nogal logisch, Bartali moet eerst op temperatuur komen, op de Pordoi was hij nog niet klaar voor de strijd, wacht maar af tot hij in de Alpen is!” We wachten af.

Nee, echt spannend is de Ronde van Italië in 1949 eigenlijk nooit geweest. Want toegegeven, al in de vijfde rit, een op papier relatief onbeduidende etappe, had Bartali getoond dat hij te pakken was. Dat bleef die dag zonder gevolg. Daarna volgde het lange wachten. Maar meteen bij de eerste grote confrontatie werd Coppi’s meesterschap bevestigd. Met, aan de vooravond van de allesbeslissende etappe, een voorsprong van ruim 9 minuten als gevolg.

Een calvarietocht wordt die etappe hoe dan ook: de bewuste 254 kilometers tussen Cuneo en Pinerolo, over de Colle della Maddalena, de Colle di Vars, de Izoard, de Monginevro en Sestrière – goed voor 4700 hoogtemeters – staan nog steeds te boek als een van de zwaarste etappes ooit.

Daarin kan in principe dus nog wel met minuten worden gegoocheld. Maar wat Buzzati navertelt – de overtuiging, de theorie over Bartali’s stijgend vormpeil – getuigt toch vooral van het bij commentatoren en supporters inderdaad opvallend rekbare vermogen om te blijven twijfelen aan de verhoudingen. Bij die eerste is dat beroepshalve zeer begrijpelijk: verslag doen van een gelopen race lijkt een minder relevante, en in elk geval veel minder interessante bezigheid. Het lange Armstrong-tijdperk heeft het uithoudingsvermogen van de commentaarduo’s wat dat betreft danig op de proef gesteld. En omdat het plezier van supporteren staat of valt met een vorm van geloof, geldt voor de tweede groep – de fans – eigenlijk min of meer hetzelfde: blijven geloven, tegen beter weten in. De koers heeft er alleen maar bij te winnen; ze creëert geheel en al haar eigen mythes en verhalen.

Met het nadrukkelijke ‘morgen’ wil Buzzati nog iets anders zeggen. Al een hele ronde lang vraagt hij zich luidop af waarom Coppi en Bartali zich toch zo weinig met de strijd om dagzeges bemoeien. Want ja, hij weet het wel: dat ze zich moeten sparen, en wat voor bovenmenselijke inspanningen er dag na dag van hen gevergd worden (in onder andere twaalf ritten van meer dan 200 kilometer, waarvan de langste 298 kilometer telt). Maar hij ziet en hoort vanuit de wagen dag na dag het volk dat buiten staat en niets anders dan steeds diezelfde namen roept. En als dan blijkt dat Bartali en Coppi zich veilig in het pak schuilhouden, voelen de mensen zich een beetje bekocht: alsof ze in een theater zitten, klaar voor een concert van Toscanini, wanneer in zijn plaats een nog onbekende, jonge plaatsvervanger aantreedt.

Niet dat Buzzati het de kampioenen kwalijk neemt. Maar hij moet het toch gezegd hebben. ‘Waarom,’ immers, ‘zou de kroniekschrijver moeten zwijgen over de teleurstelling van het volk?’

Pinerolo, 10 juni

Dino Buzzati
Vandaag, voor de eerste keer, een verslagen Bartali. En dat is triest, ook omdat het een directe verwijzing is naar ons aller lot. Vandaag heeft Bartali voor het eerst begrepen dat de tijd van verval voor hem is gekomen. En voor de eerste keer heeft hij gelachen. Met eigen ogen hebben we het fenomeen geconstateerd toen we langs hem heen reden. Iemand aan de kant van de weg groette hem. En terwijl hij zijn hoofd een beetje naar hem toe draaide, lachte hij: de humeurige, asociale, antipathieke, onhandelbare ongelikte beer met zijn eeuwig ontevreden kop, juist hij heeft gelachen. Waarom heb je dat gedaan, Bartali? Weet je dan niet dat je zo de ruwe betovering waardoor je werd beschermd hebt verbroken? Begin je nu prijs te stellen op het applaus en het gejuich van mensen die je niet kent? Is het gewicht van de jaren dan zo verschrikkelijk? Eindelijk heb je je overgegeven.
1936 9E Étape Izoard

Het had gekund: ter illustratie van Buzzati’s schrijven na de koninginnenrit over de Izoard, een stukje over Hector en Achilles uitlichten. Het zou in feite logisch zijn. Want datgene waar Buzzati nu al wekenlang op zit te broeden, waarvoor hij niet aflatend lijntjes uitgeworpen heeft, kent na de Alpenrit een zinderende apotheose.

Een paar keer al heeft hij gehint naar Homeros en de Trojaanse Oorlog, naar de lotgevallen van de helden in de Ilias, en voor Bartali had hij van begin af aan de rol van Hector in gedachten. Hector, kroonprins van Troje, die na zoveel overwinningen en roem ten slotte door Achilles wordt verslagen.

Op de flanken van de Maddalena plooit de werkelijkheid zich naar die fantasie: Coppi demarreert, Bartali heeft geen antwoord. En wat Coppi die dag verder uit zijn benen schudt, lijkt inderdaad wel het werk van een godenkind. Na een solo van 192 kilometer is het verdict aan de meet maar liefst 12 minuten. Buzzati’s oorlogsretoriek is opnieuw groots, maar al bij al toch minder sprekend dan dat ene beeld: Bartali, doodop na negen en een half uur op de fiets; hij draait zijn hoofd een kwartslag en hij lacht.

De finale conclusie die Buzzati daaruit trekt blijkt in zekere zin te kloppen. Niet dat Bartali er na die Giro helemaal niets meer van zal bakken, maar Milaan-Sanremo van 1950 wordt wel zijn laatste grote zege. In de Tour van 1949, die amper 18 dagen na het einde van de Giro van start gaat, herhaalt zich het scenario van op de Italiaanse wegen. Coppi laat Bartali in Parijs bijna 11 minuten achter zich en is de eerste renner die in hetzelfde jaar de dubbel Giro-Tour pakt.

Voor Coppi leidt de Giro-winst in 1949 de absolute bloei van zijn carrière in. In 1952 lukt hij opnieuw de dubbel, in 1953 wint hij voor de vijfde keer de Giro en wordt hij wereldkampioen. Tussendoor triomfeert hij in klassiekers op uiteenlopend terrein, van Roubaix tot Lombardije.

Dat hij in 1960 veel te vroeg sterft (hij is dan 40 jaar), doet ons onwillekeurig weer een beetje aan Achilles denken. Vooral door de manier waarop een man van zoveel oorlogen geveld wordt. Coppi trekt voor zijn plezier met een groep bevriende renners naar Opper-Volta (vandaag Burkina Faso) om een criterium in Ouagadougou te beslechten. Tijdens zijn verblijf doet hij malaria op, de dokters in Italië behandelen hem onzorgvuldig en na een ziekbed van niet eens een week laat hij het leven.

En Bartali? Hij leeft nog lang en naar het schijnt gelukkig, en blijft net zo veel roken tot zijn stem ervan verdwijnt. In 2000 sterft hij in Firenze na een hartaanval.

Milaan, 13 juni

Dino Buzzati
Kijk naar ze, hoe ze fietsen, langs velden, heuvels en bossen. Het zijn pelgrims, op weg naar een hele verre stad die ze nooit zullen bereiken: net als op een schilderij van een oude meester zijn het vleselijke symbolen van het onbegrijpelijke avontuur van het leven. En dat is romantiek van het zuiverste water. Het zijn dolende ridders die op weg gaan naar een oorlog waarin geen land te veroveren valt, en de reuzen die hun vijanden zijn lijken op de beroemde windmolens van Don Quichot: ze hebben geen menselijke ledematen of gezichten, en ze heten afstand, stijgingspercentage, lijden, regen, angst, tranen en verwondingen.

U kent het misschien: het zwarte gat na een periode rijk aan koers. De leegte na de Champs-Élysées, na Lombardije. Daarvan heeft ook Dino Buzzati last, na een hele ronde in het kielzog van de renners. Getuige daarvan zijn laatste stukjes, die hier en daar emotioneel worden.

Meteen al na de tijdrit op de voorlaatste dag slagen de ‘lusteloosheid en melancholie’ toe, zoals altijd wanneer iets bijna afgelopen is. En zoals de nederlaag van Bartali in de wereld van Buzzati ons aller eigen ondergang voorafspiegelt, zo heeft die melancholie te maken met een plots besef hoe kort het leven is.

Een laatste keer nog neemt de schrijver de gelegenheid te baat om aan te stippen dat het desalniettemin de moeite waard is om op een fiets te kruipen. Het wonderlijke wezen dat coureur heet wordt met inzet van Buzzati’s vakmanschap nog eens heftig geromantiseerd. Die passionele liefde voor de fiets, lezen we bij Maurizio Anelli (op zijn beurt een overtuigd Buzzati-lezer), heeft te maken met de angst en hoop van mensen die de oorlog overleefd hebben en op zoek zijn naar houvast. De fiets is tegelijk een vorm van nostalgie naar een vervlogen kindertijd, en een voor bijna iedereen betaalbaar tuig om grootse toppen mee te scheren. De eerste winnaar van de Giro was een metselaar. Het zijn zulke verhalen die Buzzati graag vertelt.

Zijn kroniek afsluiten doet hij met een stuk dat terugblikt en vooruitkijkt. Bovenaan zet hij als titel: ‘Non tramonterà mai la fiaba della bicicletta’ – het sprookje van de fiets zal altijd blijven bestaan. En hij richt zich tot precies die fiets, met de vraag om niet op te geven.

Slot

Dino Buzzati
Als je capituleert zal niet alleen een tijdperk in de sport, een hoofdstuk van de menselijke tradities worden afgesloten, maar ook zal het resterende domein van de illusie, waarin eenvoudige lieden rust vinden, nóg kleiner worden. Misschien zul je belachelijk lijken, maar trek er weer op uit op een frisse meimorgen, langs de oude wegen van Italië. Wij zullen dan in het algemeen per rakettrein reizen, dankzij de atoomkracht zullen we ons nooit meer hoeven inspannen, we zullen hoogbeschaafd en zeer machtig zijn. Maar daar moet je niet op letten, fiets. Vlieg jij maar, met je kleine vermogen, langs berg en dal, zweet, zwoeg en lijd. De houthakker zal nog uit zijn eenzame berghut afdalen om je toe te juichen, de vissers zullen van het strand komen, de boekhouders zullen hun grootboeken in de steek laten, de smid zal het vuur laten uitgaan om je feestelijk te begroeten, de dichters, de dromers, de eenvoudige schepselen die nog een goed hart hebben zullen elkaar verdringen langs de wegen en dankzij jou hun kommer en ellende vergeten. En de meisjes zullen je bedelven onder bloemen.
Dino

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief